6e zondag door het jaar – C 17 februari 2019

Gepubliceerd op: 26/02/19

De zaligsprekingen volgens Lucas zijn veel minder bekend dan die van de evangelist Matteüs. Misschien wel omdat ze veel con­creter zijn. En omdat ze niet alleen zalig spreken, maar meteen ook mensen en situ­aties aanklagen die voor ons ook nu nog heel herkenbaar zijn.
De rede van Lucas staat veel dichter bij het leven van alledag en daarom ook dichter bij ons eigen doen en laten. Lucas ziet hoe het christendom in de eerste eeuw voorzichtig haar weg zoekt in de wereld van die dagen. Hij ziet heel concreet de armoede en het lijden om zich heen en hoe die vaak worden veroorzaakt door machtsmisbruik en onderdrukking. En hij beschouwt de weg van Jezus van Nazareth, om daar onderuit te komen, om een uitweg te vinden uit al die ellende, de weg is die Jezus zelf is gegaan.

Het woord ‘zalig’ wordt gebruikt. Maar wat is zalig? Hoe word je een zalig mens? De zaligheden behoren tot de mooiste uitspraken van het evangelie, maar ze zijn ook de minst begrepen woorden. Ze zijn de meest troostvolle woorden, maar ook de meest radicale van het hele evangelie.
Lucas heeft het niet over een Bergrede, maar bij hem houdt Jezus zijn toespraak in de Vlakte, midden tussen de mensen. Misschien is zijn boodschap vooral bestemd voor mensen die zich liever op de vlakte houden. Bij Lucas gaat Jezus, voor Hij zijn zaligheden geeft, naar beneden, de vlakte in waar we leven. Het is alsof Lucas ons wil zeggen: de zaligheden zijn niet onbereikbaar: Jezus komt naar beneden en ziet mensen staan: de mensen die gekomen zijn uit Judea, Jeruzalem, Tyrus, Sidon, Amsterdam en Venlo, Franeker en Breda en Weesp en Muiden. Hij ziet de menigte staan en roept uit:

  • Zalig de mensen die arm zijn, want aan jullie behoort het Koninkrijk Gods;
  • Zalig de mensen die honger hebben, want jullie zullen worden verzadigd;
  • Zalig de mensen die nu huilen, want jullie zullen lachen, juichen, gelukkig zijn.
  • Zalig de mensen zijn ook degenen die worden gehaat omwille van de Mensen­zoon.

Wat bedoelt Jezus hier mee? Insinueert Jezus daarmee dat armoede - met de onvermij­delijke gevolgen van dien: honger, ziekte, ongedierte, gebrek aan onderwijs, prostitutie, kindersterfte en ellende - iemand gelukkig zou kunnen maken? Dat is nauwelijks aan te nemen. De mensen waren juist naar Jezus gekomen om daarvan te worden verlost! De kernvraag blijft: wat is zaligheid en hoe word je zalig en gelukkig? Velen zoeken hun ziel en zaligheid, hun geluk, in hun bezit en carrière. Ze zoeken hun zaligheid in dingen die ze hebben en niet in wat ze zijn.
‘Zalig de armen“. Bij de uiterlijke armoede gaat het om gebrek aan materiële goederen: gebrek aan kleding, voedsel, geld. Jezus trekt tegen dit soort armoede ten strijde. Hoewel de Mensenzoon zelf geen steen heeft om zijn hoofd op neer te leggen, dringt Hij er telkens weer op aan dat wij deze aarde met elkaar blijven delen.

Vandaag heeft Jezus het vooral ook over de innerlijke armoede. Over mensen die het op het eerste gezicht goed gaat, maar die armer zijn dan wie ook. Omdat ze geen hand op hun schouder vinden, geen mens die van hen houdt. Deze armoede verbergen we voor de buitenwereld. We schamen ons er diep voor. Wij voelen dat we arm zijn. We kennen onze gebreken heel goed. Iedereen verwacht dat we flink zijn en flink blijven. Maar 's avonds kunnen we liggen te woelen in ons bed, omdat we weer eens in de knoop liggen met ouders, kinderen, man en vrouw, vriend of vriendin.

Soms kom je in een diepe put terecht. Wat mij zoveel moeite kost, vinden anderen van­zelfsprekend. Maar als ik bij God ben hoef ik geen toneel te spelen. Dan mag ik toegeven dat ik klein ben. Dan kan ik toegeven hoe ik werkelijk in elkaar zit. Dan kan de échte zaligheid doorbreken in mijn hart. Onze handen zijn leeg, als we geboren worden, onze handen zijn ook weer leeg als we teruggaan naar God. We zouden zalige mensen zijn als we tijdens ons leven onze handen voortdurend leeg zouden maken voor God en voor elkaar.

Als we straks de communie uitreiken, leggen wij het brood in lege handen. En telkens als ik die lege knuisten zie, soms verweerd en versleten, denk ik: eigenlijk is het een oerge­baar. Wij zijn mensen die onze handen leeg mogen maken voor elkaar en voor God. En Jezus zal ze vullen met zijn eigen Lichaam en Ziel. Lege handen: ik schaam me er niet voor. Ik vraag aan God: als mens ben ik een leven lang onderweg. Vult U mijn lege handen? Of zoals de eerste lezing van Jeremia 17:8 vanmorgen zegt: ‘God, laat mij staan als een boom aan de rivier, die wortels heeft tot in het levend water.

Pater Jan Haen C.Ss.R. en Pater Ambro Bakker s.m.a.