5e zondag door het jaar - 4 februari 2018 : Muiden

Gepubliceerd op: 18/02/18

Lezingen: Job 7:1-4.6-7 – 1 Kor.9:16-19.22-23 - Marcus 1:29-39

Vandaag gaat het over ziekte en gezondheid. Het zijn maar twee woorden: jong en oud, krachtig en zwak, ziekte en gezondheid. Maar daartussen ligt een hele wereld. Ziekte vormt een aan­slag op je leven. Zeker een langdurige ziekte isoleert een mens. Je komt terecht in een spanningsveld waar gezonde mensen geen weet van hebben. Je bent bang voor wat komen gaat, je wereld stort in elkaar, toekomstdromen vallen in puin. Het is een eeuwig gevecht tegen ziekte en dood, al zijn de oude zalfjes intussen vervangen door uitgekiende moderne geneesmiddelen. Medicijnmannen zijn vervangen door chirurgen.
De lezingen van vandaag gaan over ziekte en gezondheid. In de eerste lezing hoorden we Job zeggen: ‘Zolang het licht is ben ik ziek van onrust. Mijn dagen verschieten sneller dan de weversspoel. Mijn leven is niet meer dan een ademtocht’. En in het evangelie horen we dat de schoonmoeder van Petrus ernstig ziek is. Jezus geneest haar en legt haar de handen op. Zieken vormen bij Jezus het uitgangspunt van zijn programma. In zijn naam trekken de leerlingen eropuit, zalven de zieken en genezen ze. (Marcus 6:13).

In hun voetsporen zijn velen verder gegaan. Ze stichtten de middeleeuwse leprozerijen, de vele lazaretten op de pelgrimsweg naar Rome, Jeruzalem en Santiago de Compostella. Pater Damiaan, Peerke Donders en vele anderen hebben vanuit hun christelijke inspiratie aan de bakermat gestaan van onze moderne gezondheidszorg. In Jezus’ naam hebben christenen de eeuwen door zieken verzorgd, gezalfd en de handen opgelegd.

 

Als Johannes de Doper laat vragen of Jezus de Gezondene is, een heelmeester is, iemand die je niet ziek maakt, maar een heel­meester is, verwijst Jezus naar zijn wonderen: ‘Ga aan Johannes zeggen: blinden zien, lammen gaan, doden staan op, aan armen wordt de Blijde Boodschap verkondigd.’ Het antwoord geeft een samenvatting van wat Jezus eigenlijk wilde: heil brengen. Toch gaat het Jezus niet om sensatie. Het zijn tekenen die verwijzen naar een God die zich bekommert om mensen. God staat niet onverschillig tegenover het lijden van mensen. Hij wil niet de ziekte, maar de gezondheid van ieder mens. God vindt geen vreugde in het in elkaar storten van al wat leeft.
Jezus heeft - zo blijkt uit de Schriften - een andere opvatting van ziek-zijn en genezen worden dan wij. Voor ons betekent genezen een storing opheffen: een ziek oog, een stijf been, een melaatse huid. Het gaat Jezus om de héle mens. Mensen hebben geen ziekte, maar zíjn ziek. Ziek zijn geeft een drievoudige communicatiestoornis: een stoornis met onszelf, met anderen en met God. Als je lichaam of je geest ziek is, is er sprake van een communicatiestoornis in jezelf. En mensen die langdurig ziek zijn, weten hoe de omge­ving op hun ziek-zijn kan reageren. Je raakt buiten het arbeidsproces, vrienden van vroeger, collega's, zijn je zó vergeten. Zolang we jong, sterk, gezond zijn, is er niets aan de hand. Dan handhaven we ons wel. Dan staan we midden in de gemeenschap.
Door ziekte kan ook je contact met God verstoord raken. Wij vragen ons af: waarom moest dit gebeuren? Waarom ik? Waar blijft God nou? Als Jezus mensen geneest, geeft Hij ze weer terug aan zichzelf, aan elkaar en aan God. Hij gaf de mens terug aan zichzelf: sta op en wandel. Hij geeft mensen weer naar elkaar terug: Zacheüs, de melaatsen en de vrouw bij de bron zijn daar sprekende voorbeelden van. Maar Hij bracht mensen ook weer terug naar God: "Ga heen en zondig niet meer". Zo is Jezus de Heiland, heelmeester bij uitstek.
Gezondheid staat in ons wensenlijstje hoog genoteerd. Voor velen heeft God daar alles mee te maken. God wil betrokken zijn bij alles wat we doen. En dus wordt de dag begonnen: het begroeten van elkaar ín God: elkaar het beste toewensen; vooral een goede gezondheid en een goede relatie met God en met elkaar en ook een goede relatie met jezelf. De Fransman zegt: ‘Adieu’ (naar God toe), de Spanjaard zegt hetzelfde: ‘Adios’. De Oostenrijker: ‘Grüss Gott’ (ik groet je in God). De Engelsman zegt ‘Goodbye’, en dat is een verbastering van ‘God bless you’: moge God je zegenen.

Het Hebreeuws heeft de mooiste groet. Als Joden elkaar tegenkomen, zeggen ze ‘Sja­loom’. Dat woord sjaloom vertalen wij door ‘vrede’, maar eigenlijk betekent sjaloom veel meer. Het betekent: ik hoop dat het met jou goed mag gaan: lichamelijk (een goede gezondheid), geestelijk (psychisch) en sociaal (in je contacten met God en met elkaar). Dat het goed met je mag gaan op alle terreinen van je leven! Dat is toch wat anders dan het Hollandse ‘m?ge’. Of zoals ik mensen tegenwoordig vaak hoor zeggenen ik doe het zelf ook: ‘doeg!’ Als we de Eucharistie beginnen, wens ik u de vrede toe. En aan het einde van de mis zeg ik niet ‘doeg, tot de volgende week!’. Nee, ik zeg ‘laten we heengaan in vrede’. En dat woord vrede heeft dan alles te maken met het Joodse woord ‘sjaloom’. Dat het u de komende week goed mag gaan: lichamelijk, geestelijk en sociaal (in contact met anderen en in uw contact met God). Vrede is in de Eucharistie het eerste en het laatste woord!
En bij al onze doe-activiteiten, kijkt u eens goed naar het evangelie van vandaag. Na zijn drukke vermoeiende dag staat Jezus de volgende dag vroeg op, nog diep in de nacht, en hij begeeft zich naar een eenzame plek om daar te bidden. ‘Ora et labora, bid en werk!’ Ook bij Jezus kan blijkbaar het een niet zonder het ander. ‘Op uw gezondheid’.

Pater Jan Haen en Pater Ambro Bakker s.m.a.