Preek van de week. Allerzielen, Muiden 29 oktober 2017

Gepubliceerd op: 30/10/17

Lucas 24;1-9.

Ik heb het verhaal zojuist voorgelezen – de drie vrouwen, ze gingen naar het graf . Daar aangekomen, zagen zij dat de steen voor het graf was weggerold en het lichaam van Jezus was er ook niet. Ze waren helemaal van streek. Plotseling stonden er twee mannen in stralende gewaden die tegen hen zeiden: 'Waarom zoekt u de levende onder de doden? Hij is niet hier, hij is uit de dood opgewekt. Herinner u wat hij u gezegd heeft toen hij nog in Galilea was: de Mensenzoon moest worden uitgeleverd aan zondaars en moest gekruisigd worden en op de derde dag opstaan.' Toen herinnerden zij zich zijn woorden.
De ervaring van de vrouwen die naar het graf gingen met de welriekende kruiden en tot de bevinding kwamen dat Jezus er niet meer was, is ook ons niet vreemd. Is dat zo? Op een dag als vandaag gedenken ook wij mensen die er niet meer zijn. Sommigen zijn in de afgelopen jaren op een harde en verschrikkelijke manier uit ons midden weggerukt, anderen zijn in hoge ouderdom en 'der dagen zat' gestorven. Ieder van ons zal zich mensen herinneren en in ons dragen..
Hun graf is gesloten en dat kan als een zware steen op ons hart rusten en pijn doen. Ik vraag mij af of het ook ons, zoals de vrouwen gebeurde, gegeven wordt dat er engelen als lichtgestalten tot ons spreken om een woord van troost en blijvende hoop tot ons te richten. Vandaag zullen wij hun namen laten klinken in het stille besef dat zij in God geborgen zijn, maar wellicht herinneren wij ons ook momenten en gebeurtenissen dat wij, door welke omstandigheden dan ook, plotseling aan hen herinnerd worden. Soms kan zo'n moment zo hevig op ons inwerken dat het is alsof niet wij aan hen denken, maar wij door hen in herinnering worden gehouden. Zo'n moment wordt door Martinus Nijhoff prachtig verwoord in zijn gedicht ' De moeder de vrouw', waarin een schip, dat onder de de brug door komt
varen en waar een vrouw aan het roer staat, hem zijn moeder voor ogen brengt die zingt van God wiens hand ons bewaren zal. Het gedicht gaat als volgt.

Ik ging naar Bommel om de brug te zien.
Ik zag de nieuwe brug. Twee overzijden
die elkaar vroeger schenen te vermijden,
worden weer buren. Een minuut of tien
dat ik daar lag, in 't gras, mijn thee gedronken,
mijn hoofd vol van het landschap wijd en zijd ?
laat mij daar uit de oneindigheid
een stem vernemen dat mijn oren klonken.
Het was een vrouw. Het schip dat zij bevoer
kwam langzaam stroomaf door de brug gevaren.
Zij was alleen aan dek, zij stond bij 't roer,
en wat zij zong hoorde ik dat psalmen waren.
O, dacht ik, o, dat daar mijn moeder voer.
Prijs God, zong zij, Zijn hand zal u bewaren.

Mogen ook ons zulke momenten gegeven worden waarin wij met hen die ons lief waren op een nieuwe wijze verbonden worden en zij voor ons engelen, boodschappers worden van licht, van het paasbericht dat zij door God zijn opgewekt. Zo kunnen wij leven in een stille en verborgen verbondenheid waarin wij het liefste koesteren wat zij in hun leven waren en ons de moed geven om in hun voetspoor voort te gaan. Dat wij, zoals de vrouwen in het evangelie 'hun woorden indachtig zijn' en kunnen leven in de gemeenschap van alle heiligen, van allen die de levensadem van God hebben ontvangen en kunnen zingen van Hem wiens hand ook ons bewaren zal in droevige en gelukkige dagen. Zo moge er vrede dalen in ons hart.

Pater Jan Haen C.Ss.R.