Preek van de week. 15e zondag door het jaar – B 15 juli 2018

Gepubliceerd op: 20/07/18

 

Amos 7:12-15 en Efesiërs.1:3-10 en Marcus 6:7-13

 

Nog steeds wordt in veel ziekenhuizen aan patiënten die op een opnamegesprek komen, gevraagd of ze een godsdienst hebben. Een verpleegkundige van het Slo­tervaartziekenhuis in Amsterdam-Nieuw-west, vertelde Pater Ambro Bakker dat een Islamiet dan gewoon zegt dat hij Islamiet is, een protestant dat hij protestant is of lid van de PKN en een atheïst zegt dat hij atheïst. Maar de meeste katholieken zeggen dat ze ‘Katholiek-van-huis-uit’ zijn. Een opmerkelijk antwoord. Er klinkt daarin zoiets als ‘en val me er verder maar niet mee lastig’. Waarom komen katholieken zo slecht uit voor hun geloof? En waarom durven we in onze eigen omgeving niet meer zo over ons geloof te praten? Waarom zijn we zo schuw geworden? Vroeger moest je je verantwoorden als je niet voor de kerk trouwde of je kind niet liet dopen. Tegenwoordig moet je je voor je omgeving verantwoorden als je het wel doet.

 

Waarom durven wij zo weinig kleur te bekennen? En juist over dat kleur bekennen gaan de beide lezingen van vandaag. In de eerste lezing horen we de profeet Amos zeggen: ‘God heeft mij achter mijn beesten weggehaald, en mij gevraagd als profeet naar het volk toe te gaan’. En in het Evangelie horen we dat Jezus de twaalf bij zich roept en hen twee aan twee de straat opstuurt. Geen leerlingen ‘vanhuisuit’, maar leerlingen die op weg gaan om anderen te laten delen in wat hun geloof voor hen persoonlijk betekent. En Jezus geeft hen nog een goede raad. Hij zegt: ‘als er een plaats is waar je niet wordt ontvangen en niemand naar je luistert, ga daar dan weg en schud het stof van je schoenen’ (Marcus 6:12).

 

En Jezus geeft nóg enkele instructies. Hij zegt: ‘Uw eerste woord moet dan het woord vrede zijn’. ‘Dat is waar’ denk ik dan, maar als predikant moet ik ook de dingen bij name durven noemen. Ik moet blijven verkondigen dat God zich met mensen verzoend heeft, maar ook durven protesteren als er dingen scheef zitten. Ook de woorden van Jezus strelen niet altijd onze oren, maar verwarmen wel onze harten. Jezus was er niet op, uit om mensen te behagen, maar om ons te bekeren. Voor mij moet elke preek een opwekking zijn tot bekering. En Gods Woord niet verzwakken door de elkaar alleen maar naar de ogen te zien.

 

Een predikant mag van zijn toehoorders verwachten dat zij openstaan voor het Woord van God. En de Schrift zegt: ‘Woont daar 'n vredelievend mens, dan zal uw vrede op hem rusten.’ Als predikant mag ik ook wel een beetje geloof verwachten. Je mag verwachten dat mensen niet te veel kijken naar je persoon en naar je fouten. Als een preek je niets zegt, dan kan het een slechte preek zijn, maar het kan ook zijn dat je je hart er niet voor openstelt. Jezus kon in zijn vaderstad Nazareth niets uitrichten, omdat hij er geen geloof aantrof. Waar je als predikant niet het geloof van je parochianen tegenkomt, zal Gods Woord geen wonderen kunnen verrichten.

 

Er is 'n koe van een waarheid: over honderd jaar is er niemand van ons nog in leven. Of het christendom er dan nog is, hangt ook van ons af. In het evangelie horen we dat Jezus zijn leerlingen op pad stuurt om ervoor te zorgen dat ook in de toekomst Zijn Geest nog volop zou leven. Dus precies als bij ons. Veel bagage geeft Jezus ons niet mee. Dat hoeft blijkbaar ook niet. Geen tas voor ingewikkelde theorieën en ingewikkelde filosofieën over God.

 

Wij krijgen alleen de macht mee over onreine geesten. Wat is dat? Een onreine geest is een slechte geest. En een slechte geest is een geest die het tegenovergestelde is van de geest van Jezus. We weten wat we daarmee bedoelen, als er sprake is van warmte in een parochie, in een gezin, in een bedrijf, dan is er sprake van een goede geest. Als er sprake is van ruzie en vijandschap, van het kruipen over elkaars ruggen en het staan op elkaars tenen, dan is er sprake van een slechte geest. Die slechte geest kunnen we verdrijven!

 

Soms zijn ook wij wat droefgeestig. Maar dat is ontzettend ongezond. Wie die geest heeft, ziet alles negatief, verwacht altijd het slechtste, is steeds bezig met problemen, die er niet zijn en die wellicht nooit zullen komen. Dat is een onreine geest. Anderen daarentegen hebben een geest van optimisme, van vertrouwen. Van godsvertrouwen ook. Ik denk dat de twaalf leerlingen zoveel zieken konden genezen, omdat ze in staat waren die goede geest van God over te dragen. Een slechte geest is ook een geest van egoïsme, van luiheid, angst, oneerlijkheid, schijnheiligheid, harteloosheid. Ook over deze kwade geesten hebben wij de macht gekregen.

 

Zo is er in ons eigen leven, en ook in het leven van iedere parochie, een strijd tussen kwade en goede geesten. Over de kwade geesten heeft Jezus ons macht gegeven om ze te verdrijven en uit te bannen. Pas als we in staat zijn om die boze geesten uit onze wereld en uit ons leven weg te bannen, heeft 't christendom nog alle toekomst. Niet door voortdurend met een beschuldigend vingertje klaar te staan, maar door elkaar op de been te helpen en op de been te houden.

 

Het is de weg van de goede geest die in ons midden woont. En aan die goede geest, in ons gezinnen, in onze parochies, op ons werk, op school, mogen we zelf meewerken. Jezus heeft die opdracht aan z'n leerlingen gegeven. Vandaag geeft Hij opnieuw die opdracht, maar dan aan de mensen van nu. Mensen die niet alleen Katholiek-van-huis-uit zijn, maar in hun woorden, maar vooral in hun daden, in hun gedrag, in hun omgaan met elkaar, laten zien, dat zij zich in hun leven laten leiden door de Geest van God.

 

Pater Jan Haen C.Ss.R. en Pater Ambro Bakker s.m.a.