Paaswake - B - zaterdag 31 maart - Weesp

Gepubliceerd op: 02/04/18

Gen.1:1-2:2 - Ex.14:15-15: 1 - Rom. 6:3-1 – Marcus 16:1-7

In de Paasnacht gaat het over dood en leven. Mensen die schijndood zijn geweest vertel­len vaak over een tunnel waar ze doorheen gingen. Halverwege de tunnel komt het licht je tegemoet. Die vergelijking met een tunnel is zo gek nog niet. Meestal staat aan het begin van een tunnel een bord met daar­op levensgroot de tekst: ‘Ontsteek uw lich­ten!’. Dat is belangrijk en nodig ook.
Een donkere tunnel ingaan: daarmee zou je het sterven kunnen vergelijken. Je komt uit het levenslicht - verwacht maar ook vaak onverwacht -  in een diep en donker gat terecht. Wij proberen zoveel mogelijk de dood te verzachten. We hebben tegenwoordig zelfs cur­sussen ‘stervensbegeleiding’. Familieleden trokken vroeger zwarte pakken en zwarte jurken aan. Dat zie je tegenwoordig veel minder. De rouwstoet laat allerlei bonte kleuren zien. Maar dat neemt niet weg dat de dood ontzettend veel verdriet brengt en dat sterven is als het ingaan in een donkere tunnel, waarin je je niet kunt omkeren om terug te gaan. Een donker gat is het.

Opnieuw vieren wij Pasen in een wereld vol dood en doodsdreiging. Wat valt er van­nacht te vieren? Pasen ontkent de dood niet. Integendeel: Pasen begint op het kerkhof! Pasen veronderstelt de dood. Jezus is de dood ingegaan, maar Pasen vertelt ons dat Hij de doodstunnel ook weer heeft verlaten. Dat is het verschil tussen een tunnel en een spelonk. In een spelonk, in een grot, loopt elk leven voorgoed te pletter in diepe duister­nis.  In een grot is er wel een ingang, maar geen uitgang. Een tunnel kun je in- en uit­gaan. Het is een doortocht. Aan de andere kant verlaat je de doodstunnel voorgoed in het Licht van God.
Net als Jezus zien wij de dood als een grote rover, een spelbreker, een onzalige levensver­woester. De dood kent geen enkele eerbied voor het leven, stopt zelfs niet bij wieg of kinderkamer. Sterven betekent: niet meer kunnen beschikken over jezelf. Je kunt zelfs de hand niet meer vasthouden van je vriend of je vriendin, van je geliefde. Alleen zullen we die donkere tunnel in moeten!
Daar is geen ontkomen aan, tenzij... Tenzij we de weg gaan van de Verrezen Heer. Sinds het eerste Paasfeest mogen wij hardop roepen en hardop zingen: ‘Dood, waar is uw prikkel?’ Zoals een bij  zijn angel verliest bij het steken, zo roepen wij in de Paasnacht: ‘Dood, je hebt jezelf doodgestoken, je bent voorgoed je angel kwijt!’ Als wij de hand van onze geliefde los moeten laten, is het de Heer zelf die ons tegemoet komt. Dat heeft Hij ons beloofd! Onvoorstelbaar, aan de hand van Jezus wordt de dood een overstapje op de tram of de bus.

Natuurlijk mogen wij best bang zijn voor de dood, die onzalige levensverwoester, en dat zijn we ook, maar het mag ons leven niet gaan beheersen. Natuurlijk schrikt iedereen als hij of zij de eerste grijze haren ontdekt, want het le­ven - zo doet ons de reclame geloven - moet bruisend, jong, vitaal zijn. Maar zetten we zó de wereld niet op z'n kop? Een mens die oud is, zit niet in de wachtkamer van de dood, maar in een hal die uitzicht geeft op eeuwig leven. Het zijn mensen die uitzicht hebben op groen land. Zo zet het Paasfeest de wereld op zijn kop, want als bejaarde word je eigenlijk steeds jonger - naar God toe!
Wie mét Jezus de spelonk van de dood ingaat, dan is de dood veranderd in een tunnel met een opening, een uitgang. Pasen is de uitnodiging om Hem te volgen door de tunnel heen - richting eeuwig leven. Bij een gewone tunnel geldt: ‘Ontsteek uw lichten’. Ten aanzien van de doodstunnel geldt: ‘In deze nacht heeft God Zijn licht ontstoken’. Niemand hoeft meer in de schaduw van het leven te staan. Er is slechts één voorwaarde: dat we iedereen op deze wereld een plaatsje in de zon gunnen. Iedereen mag meegenieten van de warme stralen van het nieuwe Licht dat ieder mens verlicht die vrede brengt, gerechtigheid doet en meewerkt aan het behoud van Gods Schepping.

Overal wensen mensen je in deze dagen ‘Vrolijk Paasfeest’. Dat is de wens van de re­clame. Voor velen is Pasen niet meer dan een lentefeest. De paashaas en de paaseieren zijn voor hen alleen het symbool van het ontkiemende nieuwe leven. Dat zijn overblijfsel­en van een oud heidens lentefeest. Wij wensen elkaar geen ‘vrolijk Paasfeest’, maar een ‘zalig Paasfeest’. Want als christenen vieren wij ook een nieuwe lente. Maar dan gaat het over een lente die het voorgoed gewonnen heeft van een koude en gure winter. Het Licht heeft zich met Pasen voorgoed ontworsteld aan de duisternis.

Pater Jan Haen