Oecumenische viering. 16 september 2018 Marcus 9; 14-29. Jan Haen CSSR

Gepubliceerd op: 24/09/18

Wat was ik blij toen, 14 jaar na mijn uitzetting uit Zuid-Afrika wegens mijn verzet tegen het onrechtvaardige Apartheidsbeleid, Nelson Mandela president werd van Zuid-Afrika.

Wat was ik blij toen op 14 februari van dit jaar president Zuma in Zuid-Afrika zijn ontslag indiende.

Wat was ik blij toen op dezelfde dag dat ik Zimbabwe Rhodesia verliet, omdat mijn taak binnen de Vredes- en rechtvaardigheidscommissie van de bisschoppelijke conferentie van dat land erop zat, de verzetsheld Robert Mugabe op het vliegveld aankwam en de oorlog in dat land ten einde was gekomen.

Wat was ik blij toen op 21 november 2017 Robert Mugabe aftrad als president van Zimbabwe.

En zo kunnen wij allemaal wel momenten van grote vreugde en van grote teleurstellingen opnoemen in ons aanhoudende streven naar vrede en gerechtigheid in onze wereld.

De positieve inzet van generaties voor vrede wordt helaas dagelijks bedreigd. Dat was vroeger zo en dat is nu zo. En wij maar blijven bidden voor vrede!
Er zijn mensen die vinden dat dat zinloos is. Dat het geen enkel effect heeft. Durven wij nog te geloven dat vrede op aarde echt mogelijk is. Is bidden voor vrede, zoals wij vandaag doen, op deze plek, zinvol?
Ik nodig u uit om met mij te kijken naar de afbeelding van het schilderij dat ooit door de renaissance kunstenaar Rafael geschilderd is en nu in het Vaticaanse Museum hangt. Het heeft als titel ‘Transfiguratie’. Het is de verbeelding van een mystieke ervaring die in het evangelie van Marcus opgetekend is. Petrus, Jakobus en Johannes hebben Jezus ervaren als totaal doordrongen door licht, bijgestaan door Mozes, met de wet van de Eeuwige voor mensen. En Elia, de profeet over wie geschreven werd dat hij in een rijtuig met vlammende wielen opsteeg de eeuwigheid in. Wat wil dit zeggen? Het koninkrijk, de kracht en de heerlijkheid liggen niet hoog en breed van ons vandaan. Prachtig. Vrede op aarde en in de hemelen. Is dat zo?

De ontgoocheling bestaat daarin dat op het schilderij blijkbaar de Geest van Christus niet als een bezielende kracht heeft doorgewerkt. En is dat ook waar voor ons hier en nu?
Zie daar, onder het tafereel van de Transformatie, de verheerlijking van Jezus, in een grote menigte om de leerlingen en Schriftgeleerden heen. Een jongen wordt vastgehouden door zijn vader. Deze jongen wijst naar boven. Ze praten over het opstaan van deze jongen die voor dood lag. Boven gingen Mozes en Elia en Jezus bij elkaar te rade, over opstanding uit de dood, over leven in licht, het koninkrijk, de kracht en de heerlijkheid.  
Onder zie je dat de radeloze vader bij de leerlingen aanklopte. Boven uit de hemel, zo weten wij van het evangelieverhaal, riep de stem: ‘Dit is mijn geliefde zoon.’
Onder was het lot van de jongen in het geding: ‘Meester, ik heb mijn zoon naar u gebracht.’

Het zijn geen afzonderlijke episodes. Boven en beneden weerspiegelen elkaar. Dat heeft de kunstenaar Rafael heel goed gezien.
De verheerlijking op de berg valt samen met de misère hier beneden. Het Koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid liggen niet hoog en breed van ons vandaan. De ontgoocheling , ik zei het al, is dat niet de Geest van Christus als een bezielende kracht heeft doorgewerkt, maar dat de demonie zich breed kon maken en bezit heeft genomen niet alleen van die jongen, maar van heel de situatie. Hier, down to earth, wordt nog wat machteloos heen en weer gepraat, maar van het evangelie, de hemelse boodschap, komt niets terecht.
Jezus heeft daar geen begrip voor. Dat is verontrustend. Jezus heeft geen clementie met de leerlingen. Als midden in het evangelie de glans van zijn glorie doorbreekt mag het niet zo zijn dat onder ons alles stagneert of blijft steken in goede bedoelingen.

De man die met zijn zoon aankwam, neemt het de kerk kwalijk: ’Ik zei tegen uw leerlingen dat ze hem moesten uitdrijven, die kwade geest, die demonen, maar dat konden ze niet.’ En Jezus was het met hem eens. Er is geen excuus.
De man kwam naar Jezus toe en vroeg: ‘Als u iets kunt doen, heb dan medelijden met ons en help.’ Jezus zei tegen die man: ‘Of ik iets kan doen? Alles is mogelijk voor wie gelooft.’ En toen reageerde de man met deze woorden: ‘Ik geloof! Kom mijn ongeloof te hulp.’ Jezus sprak de onreine geest toe: ‘Geest die doof en stom maakt, ik gebied je ga uit hem weg en keer niet meer in hem terug.’ En het gebeurde. Toen Jezus met zijn leerlingen weer alleen was vroegen zijn leerlingen hem: ‘Waarom konden wij die geest niet uitdrijven?’ Hij antwoordde: ‘Dit soort geesten kan alleen door gebed worden uitgedreven .’

En wij maar bidden voor vrede? Jawel, maar dan met de houding van: ‘Ik geloof. Ik heb vertrouwen in U.  Kom mijn ongeloof te hulp.’ Toch? 

Jan Haen CSSR