4e zondag in de Veertigdagentijd – 11 maart 2018; Weesp

Gepubliceerd op: 09/01/18

2 Kron. 36:14-16 & 19-23 –Johannes 3:14-21

Luister met mij mee naar een passage uit een roman van de Russische schrijver Dostojewski. Een vrouw, Nastajoeska genaamd, heeft een klein kind verloren. Zij komt in al haar wanhoop bij een starets. De oude priester luistert geduldig naar de wanhoop van de vrouw en zegt dan troostend: ‘Jouw kind staat vast voor Gods troon en bidt voor jou. Daarom moet je niet huilen, maar blij zijn dat het kind bij zijn Vader in de hemel is.’ ‘Dat weet ik ook wel’, zei de wanhopige moeder, ‘want mijn man zegt hetzelfde, maar ik zie dat hij evenveel huilt als ik. Ons kind hoort niet alleen bij God thuis, hij hoort ook hier bij mij! Oh, kon ik nog maar één keer naar hem kijken, ik zou niet naar hem toegaan, ik zou geen woord zeggen, ik zou me in een hoekje verstoppen om hem maar een ogenblik te zien en te horen hoe hij buiten speelt en dan komt aanlopen en hoe zijn stemmetje dan roept ‘Mama, waar ben je?’ -Maar nu is hij er niet meer, vadertje, en ik zal hem nooit meer zien, nooit meer horen’.

Wie zulke dingen heeft meegemaakt, een kind, een man, een vrouw, een vriend verloren, praat niet zo gemakkelijk meer over opstaan uit de dood. Je kunt er dan makkelijk toe overgaan om te verwijzen naar het feest van Pasen, het feest van de verrijzenis. Maar zover is het nog niet. Het is nog geen Pasen in ons leven. Al sinds mensenheugenis worstelen we met ons ‘heengaan’. Hoe gaan we om met die kern van ons geloof: ‘elk leven, zelfs als dat onderuit gaat in de dood, leidt tot overleven bij God in de hemel!’. Een schrale troost, die vaak haaks staat op de werkelijk­heid die over ons heen komt.

Vanmorgen zijn we getuige van een fragment uit het nachtelijk gesprek ‘over de verrij­zenis van het leven’; tussen Jezus en de farizeeër Nikodemus. Daar zitten ze dan tegenover elkaar: de één is een geschoolde theoloog. Hij heeft van alles op een hogere school over God geleerd. Aan de andere kant zit een selfmade man. Hij bezit geen diploma's om over God te kunnen praten.
Nikodemus was ondanks zijn scholing niet dichtgeklapt. Daarom staat hij open voor de woorden van Jezus: ‘Zozeer heeft God de wereld liefgehad dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft. Hij is gekomen niet om te oordelen, maar om redding te brengen’. Belang­rijke woorden rollen in de lezingen over elkaar. Johannes heeft het over de keuze die elk mens moet maken tussen goed en kwaad, duisternis en licht, over oordelen, over liefde en over ‘waarheid doen’. Er zijn mensen, zegt Johannes, die de duisternis meer liefhebben dan het licht, want in de duisternis kun je veel verbergen, daar hoef je je gezicht niet te laten zien. In het licht wordt alles zichtbaar. Wie niet leeft van de liefde, blijft achter in diepe duisternis.

Mensen, op zoek naar liefde en licht in hun leven. Het staat vanmorgen zwart op wit: ‘God heeft ons zijn Zoon gegeven als een licht in de wereld’. God laat zich liefhebben en wij voelen het op onze klompen aan: wie zich laat liefhebben, zal een antwoord moe­ten geven! Zoals Mozes eertijds de slang omhoog hief in de woestijn, zal de Mensenzoon worden opgeheven. Johannes verwijst naar Jezus kruisdood. En wij zeggen: ‘Ieder huisje heeft zijn kruisje. Maar bij ziekte krijg je kracht naar kruis’. Vroeg of laat stoot elk mens met zijn hoofd tegen die ellendige dwarsbalk die van je leven een kruis kan maken. Je wordt ziek, diegene die je liefhebt sterft, je carrière wordt afgebroken, je voelt je bedro­gen, in de steek gelaten door wie je lief zijn. Je voelt je soms vernederd en uitgestoten. Deze dwarsbalk kan allerlei vormen en afmetingen aannemen, kijkt niet naar namen of titels of de dikte van de portefeuille. Het komt vaak voor: je hebt het goed, pas je huis verbouwd, bijna 40 jaar getrouwd, en dan komt die verschrikkelijke dwarsbalk die je leven in één enkel moment tot een ruïne kan maken.

Het Kruis is 'n realiteit in elk mensenleven. Je hebt dan geen keus: je draagt je kruis of het kruis verplettert je. Kruisen brengen mensen terug tot wat ze eigenlijk zijn: kwetsbare, wankele, nietige en kleine mensen. Kruisen brengen mensen terug tot hun eigenlijke proportie. De slang aan de paal en Christus aan het kruis: teken van opstanding. Het dorre doodshout is het groene hout geworden - het hout van verlossing, bevrijding en opstanding. Met Pasen vieren we dat. Pasen, dat betekent leven! Maar het is allemaal niet zo duidelijk, zeker als je op het kerkhof staat en stil wat voorjaarsbloemen neerlegt op het graf van een kindje van drie jaar, of op het graf van je geliefde. Nee, we moeten die verhalen over de verrijzenis niet te snel vertellen aan elkaar.
Zijn die verhalen dan niet waar? Vast en zeker, maar elk mens heeft recht op zijn eigen levensweg en eigen lijdensweg.

Ik ken een psalm die wel verwoordt wat ik voel - maar dan alleen op mijn beste dagen. Het zijn de woorden van psalm 23: ‘Mijn Herder is de Heer, het zal mij nooit aan iets ontbreken. Al moet ik het duister in van de dood, ik ben niet angstig, U bent toch bij me? Onder uw hoede durf ik het aan.’

Pater Jan Haen en Pater Ambro Bakker s.m.a.