Feest van de Openbaring des Heren - 7 januari - Weesp

Gepubliceerd op: 09/01/18

Feest van de Openbaring van de Heer A 20145 januari 2014

 (Mattheus 2,1-12 ; Jesaja 60,1-6)

Dit is een zeer populair evangelieverhaal. Reeds in het vroege christendom sprak dit verhaal tot de verbeelding. Op de muren van de oude Romeinse catacomben is Driekoningen het meest geschilderde tafereel.
En toch krioelt het verhaaltje van onwaarschijnlijkheden.
Ergens, uit onbekende verten – zo vertelt Mattheus – laat God een aantal hooggeleerde heren – want dat waren magiërs in die tijd – een wel zeer grillige ster volgen: …ze wordt gezien in het oosten … na een tijdje verdwijnt ze… ze duikt opnieuw op in Jeruzalem… en gaat vervolgens het vreemde gezelschap voor naar Bethlehem in een onmogelijke noord-zuid-richting… om tenslotte stil te blijven staan boven een stal. Geen sterrenkundige die dat begrijpt!
En dan heb je de figuur van koning Herodes. Geïnformeerd door zijn geleerde adviseurs zet hij de magiërs op de juiste weg naar de geboorteplaats van wie wel eens de nieuwe koning der Joden zou kunnen worden, maar vergeet zijn veiligheidsdiensten erachteraan te sturen om die vreemde lui in het oog te houden. Gevolg: als hij zich een paar weken later wil ontdoen van die dreigende troonpretendent, kent hij diens adres niet, en dus laat hij alle baby’s in Betlehem en omstreken om het leven brengen. En heel raar… die kinderslachting leidt niet tot een volksopstand… zelfs geen plaatselijke betoging!

Er loopt dus wel een en ander mank in wat Mattheus vertelt. Maar wat bedoelt hij dan met zo’n verhaal? De magiërs vragen naar de pasgeboren ‘Koning der Joden’; Herodes vraagt aan de Schriftgeleerden waar ‘de Messias’ zal geboren worden.‘Koning der Joden’ stond ook bovenop het kruis. Pilatus had die woorden daarop laten spijkeren als verklaring waarom de man in kwestie de doodstraf had gekregen. ‘Messias’ is een titel die aan Jezus werd toegekend door mensen die Hem hadden meegemaakt en die in Hem geloofden. Dat Mattheus deze beide titels reeds gebruikt in zijn Driekoningenverhaal, toont aan dat de evangelist schrijft voor zijn kerkgemeenschap, voor een lezerspubliek dat ervan op de hoogte was dat de pasgeborene later de Verrezen Heer, Jezus de Messias zou blijken te zijn.

Het zal duidelijk zijn dat ook dit verhaal geen feitenrelaas is maar een geloofsverhaal. De kerstverhalen zijn geschreven voor mensen die Pasen al hebben meegemaakt. Die werkzaamheid – zo leert Mattheus – blijkt onder meer uit de werfkracht van de Goede Boodschap onder de heidenen (zoals men in die tijd niet-joden noemde).
Diezelfde gedachtegang treffen we reeds aan in het Oude Testament, o.m. bij de profeet Jesaja. Ver van huis en vol heimwee vroeg het Joodse volk zich af of men nog ooit zijn geliefde stad Jeruzalem zou terugzien die door de Babyloniërs met de grond was gelijkgemaakt. Ja, zegt Jesaja. Meer nog: God heeft voor Jeruzalem een Messiaanse rol weggelegd: Hij zal de stad opnieuw tot stralend centrum maken, niet alleen voor ons, Joden, maar voor álle volkeren.
Bij dit profetisch visioen van Jesaja haakt Mattheus aan. De hulde aan de pasgeboren koning door vreemdelingen uit het Oosten, verwijst naar de heidenen die zich tot het christendom bekeren. Dát is een teken dat de Messiaanse tijden zijn aangebroken, zegt Mattheus. Dát is het teken dat het kind Jezus voor alle volkeren de Messias is.
In zijn verhaal plaatst Mattheus de magiërs tegenover Herodes en vooral tegenover ‘alle hoge­priesters en Schriftgeleerden van het volk’. Zij kenden die profetische belofte van Jesaja. Zij wezen niet-joden, vreemdelingen, de weg naar de Messias maar zelf gingen zij die weg niet.

Wat moeten wij met dit verhaal? Bijbelse verhalen geven te denken. Zij houden ons een spiegel voor. Herkennen wij onszelf in de wijzen uit het Oosten? Zij zijn wijs, ook omdat zij zichzelf vragen stellen, belangrijke vragen, levensvragen. Zij zijn wijs omdat zij niet bij de pakken neer blijven zitten, maar opstaan en op zoek gaan naar een antwoord, of, beter nog, naar Iemand, naar een leidsman en een herder-namens-God. En zo komen zij bij de Koning der Joden terecht, niet in de grote stad Jeruzalem maar in Betlehem, in een stal, bij een pasgeboren Kind. Aan dat Kind brengen zij hulde en schenken zij hun gaven.

Zijn wij bereid diezelfde hulde te brengen aan het Kind? Zijn wij bereid aan dit Kind het goud van onze welvaart aan te bieden? Zijn wij bereid ónze wierook en mirre, ónze deodoranten van een soms stankverwekkende rijkdom, op te offeren door eerlijker te delen met anderen en de lasten evenwichtiger te spreiden? Of misschien moeten wij toegeven dat wij onszelf eerder herkennen in Herodes. Ook wij ervaren die Jezus soms als een vervelende en hinderlijke rivaal die we liefst zo vlug mogelijk terzijde schuiven en het zwijgen opleggen omdat Hij onze rust komt verstoren. Want Hij vraagt telkens méér van ons dan wij bereid zijn te geven. Want Hij nodigt ons uit de andere wang aan te bieden op een ogenblik dat wij reeds de hand hebben opgeheven om terug te slaan. Want Hij roept ons op om te delen in plaats van op te stapelen voor onszelf, en vergiffenis te schenken wanneer we eerder geneigd zijn de ander definitief de rug toe te keren.
Of gedragen we ons soms als betweterige hogepriesters en Schriftgeleerden? Die precies weten wat anderen waar en wanneer moeten doen. Die alles afweten van waarheden, normen en principes – maar zich niet engageren. Die iets goedvinden omdat het altijd zo geweest is. Die het ‘Credo’ woord voor woord uit het hoofd kennen maar het zelden bidden met hun hart.
In wie van de drie herkennen wij onszelf: in de magiërs, in Herodes of in de Schriftgeleerden? Aan ieder van ons om die vraag persoonlijk te beantwoorden in dit nieuwe jaar 2018.

Pater Jan Haen C.Ss.R. met dank aan Pater Marc Christiaens o.p.