2de zondag van de Advent - 10 december 2017 - Weesp

Gepubliceerd op: 11/12/17

Jesaja 40; 1-11, Marcus 1; 1-8

De manier waarop Marcus zijn evangelieverhaal begint is heel bijzonder, want hij plaatst Jezus van meet af aan in de grote reeks van de profeten die vanouds mensen hebben opgeroepen tot bekering. Beter dan dit woord bekering zouden wij het woord ommekeer moeten gebruiken en dat dan ook in de meest letterlijke zin van het woord. Alleen wanneer mensen zich omdraaien en een andere kant opkijken dan die welke zij gewend zijn, zullen zij gevoelig worden voor wat er op hen afkomt. Dat wordt in de taal van de Bijbel het koninkrijk of de heerschappij van God genoemd. Wat versta je daaronder? Dat niet wij degene zijn die koning kraaien over onze wereld en haar kunnen manipuleren en inrichten naar onze inzichten, maar dat de aarde ons is toevertrouwd opdat wij er een woning van mensen van maken. Er is een stille, bijna onhoorbare, stem die klinken wil in ons hart, in ons geweten, en die gehoord wil worden: 'mens, waar ben je en waar is je broer, je zus’? In Bijbelse bewoordingen zeggen wij dan ook dat God de mens roept om een menselijke woning van onze wereld te maken. Wanneer alle verhoudingen tussen mensen recht zijn getrokken en wij elkaar niet meer langs omwegen benaderen, als mensen elkaar recht in de ogen kijken en een plaats geven onder de zon, dan woont de glorie van God onder ons, dan kunnen wij zijn onzichtbare aanwezigheid in ons midden beleven als een bron van menselijkheid. Zonder die stem en die stille aanwezigheid zouden wij zijn als het gras dat verdroogt onder de zon. Dat is vanouds het goede  nieuws dat profeten verkondigd hebben en in hun voetspoor maakt Jezus met die verkondiging een nieuw begin!

Daarom wordt Johannes de Doper ook getekend als een nieuwe Elia, het toonbeeld van alle profeten, en vereenzelvigt Jezus zich met de woorden van Jesaja die troost en bemoediging verkondigt aan zijn tijdgenoten. In hun voetspoor roept Hij ons op tot ommekeer, waarvan het doopsel een symbolische uitdrukking is. En als wij ons dan omkeren, hoe zien wij dan de heerlijkheid van God in ons midden?
Op een ontroerende manier schetst Jesaja het verschijnen van God onder ons in het beeld van de herder die zijn schapen weidt en een lam op zijn arm draagt. Is er een mooier beeld van de genegenheid die de Ene en Onzichtbare heeft voor mensen? Is er een beter beeld te schetsen van hoe de mens bedoeld is als precies dit beeld van de herder? Wij worden geroepen om zo met mensen om te gaan, zoals God dit doet met ons.

Alleen in oprechte bekommernis en zorg voor elkaar wordt de wereld bewoonbaar, zullen wij mogen ervaren waartoe mensen bedoeld zijn en wat waarachtig levensgeluk is. God toont zich niet in grote en ontzagwekkende tekenen of gebeurtenissen. Hij komt niet als een donderslag bij heldere hemel, maar licht de sluier van zijn aanwezigheid op als mensen elkaar behoeden en gaande houden op de levensweg. Gelukkig zijn we als wij zulke mensen in ons leven ontmoet hebben: zij voeren ons, misschien zonder het te weten, binnen in een nieuwe wereld van vrede, in een wereld zoals deze bedoeld is.
Daar schijnt het vriendelijk licht waarin wij warmte en hoop vinden voor altijd. Laten wij onze ogen openen voor het verschijnen van dat Licht in ons leven en waakzaam zijn op de stille stem van een god die ons wil bereiken en kracht wil geven! Dan wordt ons leven goed en nieuw, alle dagen die ons gegeven worden.

Pater Jan Haen C.Ss.R. met dank aan Pater Henk Jongerius O.P.