21e zondag B 26 augustus 2018

Gepubliceerd op: 27/08/18

Iedereen weet wat het betekent, als je niets of niemand meer hebt om naar toe te gaan. Ieder mens heeft iemand nodig waar je naar toe kan gaan. Wie dat begrijpt, be­grijpt het Evangelie van vanmorgen, als Petrus tegen Jezus zegt: "Heer, naar wie zouden wij gaan?" Waar ga je als mens naar toe in de crisis van je leven? Waar moet je als mens heen met je angsten en je zorgen? Grote spanningen in de wereld. Een economie die als een kolos op lemen voeten staat. Zure regen, luchtveront­reiniging, milieuvervuiling.
Waar moet je als mens heen? Waar kun je als mens terecht met je verwachtingen, vragen en problemen? Je verliest 'n kind, waar moet je in Gods naam heen? Je verliest na zoveel jaar je levenspartner, waar moet je in Gods naam heen? Waar moet een jong meisje heen van wie gisteravond de verkering is uitgeraakt? Waar kun je terecht als verdriet je leven binnenvalt? Waar kun je in Gods naam heen, als je je baan verliest, je huis, je man, je vrouw, je kind?
Bij wie kun je terecht? Naar wie ga je toe? Mensen keren elkaar in een huwelijk of vriendschap definitief de rug toe. Hoeveel familieleden, broers en zussen, ouders en kinderen, hebben elkaar niet de rug toegekeerd? Mensen die elkaar beu zijn en eigen wegen willen gaan. Je keert elkaar de rug toe, je wilt elkaar niet langer in de ogen zien. Je keert de kerk de rug toe, je geloof, je verwachtingen.

 

In de tijd van Jezus was het niet anders. Het moet voor Jezus een pijnlijke ervaring zijn geweest: bij het begin van zijn optreden liepen de mensen Hem enthousiast achterna. De mensen volgden Jezus tot in de woestijn, maar toen bleek dat Jezus niet hun brood­koning wilde zijn, maar brood van eeuwig leven wilde schenken, toen namen ze aanstoot aan Hem. Veel leerlingen trokken zich terug. Ze wilden de weg met Jezus niet langer gaan. Elke pastor moet tegenwoordig iets dergelijks beleven. Veel parochianen blijven weg en doen niet meer mee. En we doen van alles om mensen bij de club te houden. ‘Blijf toch bij ons’ is onze hartenkreet. Haak toch niet af, want bij wie kun je anders terecht met je vragen, je zorgen, maar ook met je dankbaarheid?

 

Jezus gaat vanmorgen een andere weg. Hij doet vanmorgen blijkbaar geen moeite om de menigte bij elkaar te houden. Hij houdt zijn evangelie recht overeind. En als een groep trouwe leerlingen bedremmeld achterblijft, stelt hij hen eenvoudigweg voor de keuze: ‘Willen ook jullie soms weggaan?’ Jezus stelde die vraag aan de mensen toen, en ook aan de mensen van nu. Voor velen beantwoordt de kerk niet meer aan hun verwachtingen. Vroeger hadden we de godsdienst nodig, tegenwoordig redden we 't zelf wel? Wat heeft de godsdienst ons nog te bieden? Vroeger leefden we in een goed ver­zorgde kerk, alles kwam op een uur en tijd, waarin we dat zelf wilden. Nu zitten we in een andere situatie. Vroeger had je zelfs vroege missen voor de vroege vissers. Tegen­woordig liggen de uren van de eucharistieviering ons minder goed; je kunt niet elk uur van de dag meer terecht voor de doop. Voor huwelijk en uitvaart worden agenda’s ge­trokken.

Christenen wordt gevraagd om een sociale inzet, een liefdevolle zorg voor mensen die het minder hebben dan wij. Sommigen ergeren zich aan een pastoor die niet aan hun religieuze smaak voldoet. Anderen ergeren zich aan Rome of aan een kerk die andere wegen gaat en van kleedt verandert. Mensen ergeren zich aan deze tijd, waarin er min­der priesters zijn en er veel van leken gevraagd wordt. Aan één ding komen we niet meer voorbij: vandaag de dag wordt van elke christen een persoonlijke beslissing gevraagd.
‘Wilt ook u soms heengaan?’ Gods vraag richt zich tot vrije mensen die antwoord geven. Misschien kunnen we de woorden van Petrus nastamelen: ‘Heer, tot wie zouden wij an­ders gaan? U alleen hebt woorden van eeuwig leven!’ Bij Petrus breekt een religieuze ervaring door. De weg van Jezus mag dan een andere zijn dan hij verwacht had, de boodschap van Jezus reikt veel hoger en was veel ruimer dan elke horizon. Petrus had ervaren dat het in het leven niet gaat om goedkope beloften, om brood alleen. Hij heeft ervaren dat een mens bij God terecht kan met zijn vragen en problemen, met zijn verdriet en pijn, maar ook met zijn vreugde en blijdschap.

 

Er is in onze tijd een groeiende behoefte aan rust en bezinning. Moderne vliegvelden en ziekenhuizen hebben tegenwoordig een meditatieruimte, een stiltecentrum. Taizé trekt duizenden jonge mensen. Er is duidelijk iets aan de hand. Blijkbaar is de mens toch niet te versmallen tot wat moleculen, genen en chromosomen.
Toon Hermans werd op een morgen wakker en ontdekte dat hij handen en voeten had, en 'n mond, en armen en benen. En hij schreef 'n liedje: dank u wel dat ik er ben! En heel Nederland genoot van dat lied. Iedereen herkende zichzelf.

Een mens leeft niet van brood alleen! Het gaat er om dat we er zijn voor God en voor elkaar. Dan groeit de behoefte om tot Iemand met een hoofdletter te zeggen: dank U wel dat ik er ben, dank U wel dat ik in Uw armen veilig ben, dank U wel dat u mij hebt gemaakt, dank U wel dat U van me houdt, dank U wel dat U er bent. Dat is allemaal niet productief, maar 't maakt een mens wel gelukkiger. Daarom zou ons antwoord op de vraag: "wil ook jij soms heengaan?", moeten zijn: nee!
Of godsdienst nog toekomst heeft, hangt samen met de vraag of de mens nog toekomst heeft. Daarop moet ons antwoord ‘ja’ zijn. We gaan dan inzien dat het goed is hier samen te komen, en te zeggen: fijn dat we er zijn! We gaan inzien dat het goed is hier zo samen te komen en tegen Iemand met een hoofdletter te zeggen: ‘Dank u wel! Dank u wel voor 't leven en de liefde!’ Zelfs in uren van crisis en duisternis mogen wij roepen: ‘Heer, naar wie zouden wij anders gaan? Alleen U hebt woorden die verder reiken dan de woorden van vandaag, het zijn woorden van eeuwig leven!’

Pater Jan Haen C.Ss.R. en Pater Ambro Bakker SMA