10de zondag. B. 10 juni 2018, Muiden

Gepubliceerd op: 05/06/18

Een mens kan zich naakt voelen. Dat hoeft niet samen te gaan met werkelijke naaktheid. Als we onder de douche staan, zijn we weliswaar bloot, maar lijden daar niet onder. Echt naakt voel je je als je vernederd wordt of als je je diep schaamt. Adam, de eerste mens, voelt zich naakt als God hem roept en hij moet vertellen dat hij heeft gegeten van de boom die God verboden had. Wat een schaamte, wat een naaktheid! En God bedekt hem niet. Vanaf nu zullen Adam en Eva, en alle mensen die na hen komen, zich bewust zijn van hun naaktheid. Ze zullen weten van de broosheid van het bestaan, van vernedering en schaamte, van pijn en verdriet. De eenheid die de eerste mensen ervoeren met God, met elkaar en met de aarde, is onherstelbaar verbroken. Hoe kun je de oorspronkelijke eenheid herstellen? Ben je daartoe in staat? Kun je dat alleen of heb je daar een ander voor nodig?

Eenheid is een wonderlijk iets. Je weet er pas van als het weg is. Net zoals je de centrale verwarming pas mist als die op een koude winterdag uitvalt. Of zoals je je bewust wordt van het belang van gezondheid als je ernstig ziek wordt. Of als je iemand kwaad berokkende en het met geen mogelijkheid meer kan goedmaken. Altijd gaat het hier om de onbegrijpelijkheid, de omvang van wat gebeurde. Alsof het leven zich in één moment samenbalt om direct daarna uiteen te vallen. En wat dan? Een centrale verwarming kun je repareren. Aan je gezondheid kan er medisch nog wat gesleuteld worden en misschien kun je zelfs geheel genezen. Maar een leven dat gebroken is, kun je dat nog helen?

De man, Adam, legt de verantwoordelijkheid voor de breuk bij zijn vrouw. Eva legt de verantwoordelijkheid bij de slang. Geen verantwoordelijkheid nemen voor je doen en laten betekent altijd, ook voor ons, een breuk met ons mens-zijn. In de lezing uit Genesis horen we hoe God vijandschap sticht tussen de mens en de slang. Dit is de uitkomst van leven in gebrokenheid. Het tekent de breuk met de eenheid, met het leven in vrede dat was en niet meer is. In de lezing lijkt het of God deze vijandschap sticht. Maar is dat ook zo? Was het niet juist de mens die de basis legde voor de breuk tussen God en mens en tussen mensen onderling? Hoe vaak zetten wij de eenheid op het spel? Van grote en kleine oorlogen tussen landen wordt naderhand geanalyseerd hoe het tot oorlog, tot vijandschap, heeft kunnen komen. Altijd is de conclusie dat op zeker moment een grens werd overschreden: de grenzen van fatsoen, van mededogen, van het mijn en dijn. Het kwaad in het groot vindt ook plaats in het klein. Ook in onze families, werkkringen, buurten en geloofsgemeenschappen treden breuken op door onrechtmatige toe-eigening, harde woorden of gebrek aan respect. Niet God sticht vijandschap, nee, dat doen wij zelf, en we zijn er vaak maar al te goed in, we doen het vaak maar al te gemakkelijk en nemen er liever geen verantwoordelijkheid voor. En zo staan mensen tegenover God en tegenover elkaar als vijanden in plaats van als broeders en zusters. En het doet ons zeer, het doet ons lijden. Verbroken relaties leveren bijna altijd verliezers op en slechts zelden winnaars. Hoe kunnen we de eenheid herstellen? Kunnen de woorden van Jezus ons hierbij helpen?

Jezus zegt dat wat innerlijk verdeeld is niet zal standhouden. Vroeg of laat valt het bouwwerk uiteen. Het kwaad, zegt Jezus, kan zichzelf niet verdrijven of opheffen. Daar zijn andere krachten voor nodig. Om zijn woorden duidelijk te maken kijkt Hij de mensen om Hem heen aan en zegt: ‘Wie zijn mijn moeder en mijn broers? Jullie zijn mijn moeder en mijn broers. Want iedereen die de wil van God doet, die is mijn broer en zuster en moeder.’ Met deze woorden krijgen we de bron van genezing aangereikt. Als we onze medemensen zien, werkelijk zien, als kinderen van God, als deel van ons, als broeders en zusters, als been van mijn been en bloed van mijn bloed, dan weten we – dan voelen we – dat we één zijn met God en met elkaar. We staan niet tegenover elkaar, maar staan naast elkaar. Gebrokenheid versplintert ons, drijft ons uiteen, maar eenheid heelt en geneest ons. Met Paulus mogen wij dan beamen dat deze eenheid alles omvat en alles overtreft. Ons lichaam, ja, dat wordt mettertijd afgebroken. Daar kunnen wij niet omheen. Maar onze ziel zal terugkeren naar de eenheid die we vinden in God. Jezus zelf heeft de weg gewezen naar leven in verbondenheid met God en met elkaar. Het aardse paradijs is dichtbij voor wie Hem geloven en Hem navolgen. Het is hier en nu, voor ieder die kiest voor de weg waarop Hij ons voorgaat. Toch!

Pater Jan Haen C.Ss.R.